|
|
Archief |
Den Helders eerste stadsdichter24 april 2004, de dag waarop het tweejaarlijkse poëziefestival Dichter bij de Dijk plaatsvond, was het startsein voor de sollicitatie naar de functie van Den Helders eerste stadsdichter. Alle dichtende (oud) inwoners van Den Helder konden meedingen naar deze erebaan. De stadsdichter werd voor een periode van twee jaar aangesteld. Een speciale commissie benoemde uiteindelijk Martin van Kralingen als eerste officiële stadsdichter van Den Helder. Hij won met het speciaal voor deze gelegenheid geschreven gedicht ‘Sonnet voor een stad waar s nachts het leven licht is. ![]() Bundel stadsgedichtenDe bundel ‘Waar heel het leven drijft - Stadsgedichten 2004-2006 door Martin van Kralingen is voor 10 euro verkrijgbaar bij alle vestigingen van de bibliotheek, boekhandel De Drie Boekjes en de VVV.![]() ![]() Foto gemaakt door Albert Vermeulen Beknopte biografie van Martin van Kralingen.Martin van Kralingen werd geboren in Den Helder op 18 februari 1957. Hij groeide op aan de boorden van het Marsdiep, waar hij de middelbare school voltooide en is nog steeds woonachtig in Den Helder. Martin studeerde politieke en sociaal-culturele wetenschappen en nieuwste geschiedenis te Amsterdam en 'verandermanagement' te Groningen. Van hem verscheen in februari 2004 de debuutbundel 'Ten Oosten van Waterland' (ISBN 90-808538-1-X). Hij hecht veel waarde aan laagdrempelige toegang tot poëzie, vooral als het gaat om het interesseren van jongeren voor de vrijheidsruimte van het gedicht. Reden waarom Martin met enige regelmaat gedichten publiceert op www.nederlands.nl. Door een onafhankelijke commissie werd Martin uitverkoren om vanaf september 2004 aan de slag te gaan als eerste stadsdichter van Den Helder. Een ambt dat hij tweeënhalf jaar heeft uitgeoefend. Tijdens Gedichtendag 2007 heeft hij de fakkel overgedragen aan Joop Leibbrand. Gedichten van Martin van Kralingen* ‘Sonnet voor een stad waar s nachts het leven licht is * SOPHIES KEUZE * ZEEZICHT * UITTOCHT * ALS IK DE MOSTERDBRUG MAAR HAAL * EEN NIEUWE STAD * LANGE JAAP * WAT ER TORENS NOG TOE DOEN * DE DUINROOSSTRAAT * KAAPSE TROTS * AAN ZEE * KERSTBESTAND 2005 * MEISJESVAKSCHOOL * Journaal (9/10-06-69 * 52°58' NB 4°46' OL) * PLAATS VAN VERTREK (ode aan t Nieuwediep en zijn passanten) * IN HART EN LONGEN GROEN ![]() ‘Sonnet voor een stad waar s nachts het leven licht isGibraltar van het Noorden? Dat is best,maar waar komt straks dan wel die apenrots? Ach, ik met mijn misplaatste apentrots bevuil misschien hiermee het eigen nest, maar stel de vraag toch met een nobel doel. Zon zindrend zuidlijk uitzicht op de Moren das anders dan zon kerkje van Den Hoorn. Begrijp je enigszins wat ik bedoel…? Wat, zindering? Laat t maar lekker waaien! Fiets, jut, of tuk; zet zoden aan de dijk. Of ga als t zo uitkomt pootje baaien. En wie met apekool iets wil verfraaien, hij gaat zijn gang en prijst zich stinkend rijk. Tot Lange Jaap t licht weer aan gaat draaien. © Martin van Kralingen, april 2004 ![]() Klimaatverandering, insecten, infecties bedreigen de paardenkastanjes van Nederland en België. Generaties groeien straks op zonder een kastanje op het schoolplein. Meer dan honderd dichters springen op de bres om de kastanje levend te houden. Binnenkort vindt de presentatie plaats van de bloemlezing 'Kastanjegedichten', samengesteld door Nanne Nauta en uit te geven bij Passage. Onze stadsdichter Martin van Kralingen is naast vele andere bekende en minder bekende dichters vertegenwoordigd in deze bundel. Het gedicht 'SOPHIES KEUZE' beschrijft eigenlijk een samenleving die tegelijk met de kastanje aan het verdwijnen is.... SOPHIES KEUZESophie is gistermiddag op de treingestapt. De intercity was het van drie over drie. t Gaf wat oponthoud: NS heeft bussen ingezet. t Duurde toch wel even voordat die er waren. Nee, ‘t was niet fijn, dat is t nooit. Natuurlijk loopt zon machinist een deuk op. Want zijn t niet de springers in september, dan krijgt zon man de blaren wel tot ver nog in november. Wat ‘t ook zij, Sophie, das waar, was er geweest. Niet onverwacht, dat moet hier toch gezegd. Al eerder was Sophie van drie hoog uit het raam gestapt, maar hadden ze weer steigers staan bij de kliniek. Vlak voor de bouwvak, voor een nieuwe stuclaag op de achtergevel. t Was vast haar tijd nog niet geweest, zei ook de humanistisch raadsvrouw van het I.I.C.G.Z. Dat was trouwens al wel de derde of de vierde keer; t zat Sophie – zeg dat maar zo - heel doodgewoon niet erg mee. Daar kon zij niet meer tegen. Pas wilde ze nog terug naar huis om midden op t dorpsplein op de wip te kunnen stappen. Pal voor de zaak van slager Hamerslag, waar Jaap de Smet voortreffelijk rollades maakt. Net als die ene zaterdag - drie mei - toen hij Sophie indringend heeft gekust onder de bloeiende kastanje voor de ogen van zijn vrouw, zo bleek toen, na een griepje. Hier had ze graag een uurtje willen hangen nog, in ‘t zicht van Jaap. Maar daarvoor was het nu te laat: hij was van t plein gehaald. Volledig doodgebloed, die kanjer. © Martin van Kralingen ![]() ZEEZICHT![]() Het gedicht ZEEZICHT is speciaal voor Gedichtendag 2006 geschreven door de Helderse stadsdichter Martin van Kralingen bij een lambdaprint van Robin Molenaar (collectie Kunstuitleen). Van deze afbeelding is een ansichtkaart verschenen, die tijdens Gedichtendag cadeau werd gegeven aan bezoekers van bibliotheek en Kunstuitleen. Voor € 3,- is ook een poster te koop (zo lang de voorraad strekt). UITTOCHTVandaag zag ik ze schichtig vliegen daar:Hoog aan de hemel bij het Molenplein Gieren ze proteïnen bij elkaar. Tien in de lucht, nee meer dan een dozijn, Verzameld om hun vleugels uit te slaan Voordat de vlucht van hier beginnen kan, Zo generaties hen zijn voorgegaan Naar vrijer vliegen in een hoger plan. Eind van hun zomer in Den Helder komt eraan Voordat augustus in het jaar verschijnt; Straks heimwee oplost in een nieuw bestaan. Een zwaluw komt omdat hij weer verdwijnt Als zomergast terug, na verder gaan Studeren waar de deining zeewind veinst. © Martin van Kralingen ![]() ALS IK DE MOSTERDBRUG MAAR HAALIk dommel bij de Postbrug rond half tien,Sta jij intussen aan de overzijde; Merkbaar geneigd om mij daar te vermijden. Ik zag het, maar jij wilde mij niet zien. Nee ‘k voel geen lust om nu wat te gaan drinken. Mijn kop heb ik er bovendien niet bij, Al denk ik plots in flits aan wat je zei Toen ik op twee gedachten liep te hinken: Een zinkend schip dat heeft wellicht een roer, Maar t zakt volkomen stuurloos in de baren. Geen mens die daar ooit heel erg ver mee voer. Nu zie ik jou daar staan na al die jaren, Fier in de wind, blik recht vooruit en stoer. Mijn God ik herfst, de Loodsgracht likt mijn blaren. © Martin van Kralingen, 2004 EEN NIEUWE STADVandaag vallen er volop gaten in de stad.Valt weer een gevel kreunend in een gapend gat. Geen vliegtuigbom gelukkig, geen granaat Valt op het centrum van Den Helder deze keer. t Is vriendelijk vuur, geleid met een mandaat: Brandend verlangen haalt nu al die panden neer. Een slopend idioom dat niet van wijken weet, Omdat nu eerst die gaten moeten vallen Langs straat of gracht die sluipend uit de glorie gleed. Hier waait voorlopig toekomst voor ons allen. Vandaag vallen er zoveel gaten in mijn stad; Een gevel die daar in mijn grijze massa zat. Ik weet niet of ik dat nog dichten kan. Het zijn er veel, steeds komen er nog nieuwe bij. Hoe meet ik dichtheid van een Emmentaler dan? Wat dicht een gat in Alzheimer van mij? Ooit, ver voorbij een verre regenboog Is mij een nieuwe stad met hart beloofd. Mijn ark, ontdaan van tochtig stemvee, twee bij twee, Ligt luw intussen - uit het stof - bij Tessel op de ree. Vandaag en morgen vallen steden in een gat. Dromen kartonnen gevels van een nieuwe stad. © Martin van Kralingen, 2004 ![]() LANGE JAAPJe was natuurlijk nooit het grootste licht.Dat wist ik heus wel toen ik groter werd, maar je was – meer dan wie ook - altijd in het zicht. Van mijn geboorte af en daarna ook zowaar ging je niet weg, heb je wel elke nacht mijn kamerraam bezocht. Sloop je nog steeds naar binnen om mij dan steevast stil en zacht te strelen met je stralen door mijn haar. Later toen ik ouder werd, hoe jong ook nog mijn actieradius vergrootte, bleef je de trouwe metgezel die mij weer zocht achter ‘n raam waar ik de liefde soms bedreef. Om mij er bij te schijnen en vol hartstocht aan te sporen met die viervoudige wave waarmee jij hals…………… en borsten…………… buik…………… en dijen …………… - mijn handen steeds toch een slag voor zijnde - beroerde met je lichtgeraakte schijf. En haar vervolgens veilig deed verdwijnen onder de zachte schaduw van mijn lijf, die je heel regelmatig daar verspreidde. Ooit, ja je wist dat het niet uit kon blijven, heb ik je opgezocht. Met hulp van sporen die jij bij al die ramen maar bleef schrijven, kwam ik gestaag steeds dichter bij die toren waar jij mijn wajangspelen regisseerde. Niets had je te verbergen. Integendeel, zo leek het, of ‘t je niet interesseerde dat ik door schaduw in t talud verheeld, deininggedekt je stralenkrans trotseerde. Tot Kaaphoofd, waar Fort Kijkduin de aandacht steelt: decor dat staat of valt met jouw belichting. Plots werd mijn voet licht bij die ene pas, toen ik opging in jouw witte toverkring en gewaar werd dat ik werkelijk thuis was. © Martin van Kralingen, 2004 ![]() WAT ER TORENS NOG TOE DOENMet de kracht van zijn straal was t al lang gedaan;hij had geen vat meer op t communiceren. Druk maken moest hij nu dan wel ontberen, zolang hij fier rechtop nog maar kon doorgaan voor de trouwe maat van moeders kuis bestaan. Ofschoon de grijsaard steeds meer ging verweren, als windvanger niet echt wou functioneren, om al die afbladdering vloeide geen traan. Voor hen die vielen, onder aan de toren, is hij een tijd nu al aan t zicht onttrokken. Een groene schim totdat hij wordt herboren; zijn oude luister stomheid zal ontlokken aan ieder die wel iets ooit heeft verloren, sinds hij weer bijkwam van de waterpokken. © Martin van Kralingen, 2004 DE DUINROOSSTRAATDomweg gelukkig, in de Duinroosstraat.Wat villas op een heuveltje er tegen. Daar bij dat kruispunt ver van drukke wegen Waar zeelucht lokt als je de hoek om gaat. Geef mij toch wind die duinen stuiven laat En alle zwarte wolken doet bewegen. Ver weg van hier, ik gun een boer zijn regen; Een Jutter weet dat water nooit lang vaststaat. ‘t Is wel genoeg voor wie genoeg bedacht. Tenslotte eindigt alles in de krant, Als het vandaag niet is, dan is het morgen. En wie misschien iets anders had verwacht, Die zet zijn auto maar eens aan de kant. Een wonder leeft in ieder mens verborgen. © Martin van Kralingen, 2005 ![]() KAAPSE TROTSt Was in die dagen, niet erg lang geleden;ze dromden haastig samen naast de fiets klaar voor dit kruispunt bij t Rijk van Eden. Waar ooit nog de eerwaarde Haverschmidt de wind van zee ontrukt had aan t verleden. Hier kende men de angst voor morgen niet: de koude oorlog bracht hen daaglijks vrede. En wie er soms ook schepen achterliet zag toch ‘De Hoop weer aan de overzij; dat magazijn in bakfiets vol tabak, waar ze sigarenbanden smeedden in de rij. Zo was s Lands vloot steevast van zessen klaar. Bezoekers en attractie enkel zij; maar elke week mooi wel de rapen gaar. © Martin van Kralingen, 2005 AAN ZEEJe ligt aan zee het hele jaarAlsof het de gewoonste zaak Ter wereld is zon plaats Te zijn waar ze in grote haast Verschijnen om hun boot Te halen die doorlopend Tegenwoordig op het halve uur Toch ook nog heel gewoon Gemist kan worden Ach iedereen begrijpt hier Hoe dat is om aan de dijk Te staan en ziet Ook wel dat jij veel liever Daar zou zijn waar iedereen Heen gaat die hier naar toe komt Om een boot te halen want die Dingen weet je na verloop van tijd Als je dag in dag uit aan zee ligt Dat het hier altijd waait Zeg jij altijd waar je ook bent Wij doen dan of we dat niet weten Want we zijn er aan gewend Dat alle wind over een jaar wordt Uitgesmeerd zodat het niet ineens Komt als in New Orleans Waar men ook dagelijks aan zee ligt Waar nu de zwarte wijken blank staan © Martin van Kralingen, september 2005 ![]() KERSTBESTAND 2005Je ziet waar de stad vroeger ophield vanzelf.Er staan nu kanonnen: ze zwijgen. Wij speelden hier ooit nog in bunkers alsof zoiets werkelijk hoorde. Betraden na schooltijd dun ijs, zonder erg van tijd, wanneer kou elke maand wel een keer om je hart slaat. We zijn onze veste ontgroeid; niet veel is nog sneuvelen waard hier. Drie wandelaars laten een hond uit. In zones, bevrijd na de hevigste strijd. Getuige potsierlijke bordjes. Wie omkijkt ziet trouwens Napoleon ook. Een Waterloo ligt aan zijn voeten; een plaats ingenomen – ver na zijn tijd – door voetvolk vooral met zichzelf. De linie wacht, gereed zo er vrede mocht inslaan op aarde. Paraat voor invasies van hordes met peuters op sleetjes. Die eerste sneeuw…Die ene dag, wanneer daar hun stad mag beginnen. © Martin van Kralingen, december 2005 MEISJESVAKSCHOOLJe rook er altijd meisjesdie hier kookten, naaiden of een broek leerden verstellen toen het nog een knooppunt was. Ze werden moeders van de meisjes die er met hun meisjes op de voorbank voorsorteren op een eivormige rotonde met vijf armen, nee geen vijfsprong meer. Een eisprong rond een pleintje waar herdacht wordt welke zonen vroeger vielen voor de moeders van hun moeders voor ze vielen voor het vaderland. Het ruikt er niet meer zo, hoewel men toch opnieuw hier wonen voor de toekomst voorbereidt. Met ieders te verwachten tijd van vallen ruimschoots voor de boeg. © Martin van Kralingen, januari 2006 ![]() Journaal (9/10-06-69 * 52°58' NB 4°46' OL) - I - We roeiden er als gekken, Winkelman voorop, omdat de woeste branding ons niet toeliet in een kabbelroes te landen. Hier, voelden we, hier meer dan waar ook moest het zijn. Verzonken stad, vroeger een oord waar- heen zo velen waren afgereisd, maar nimmer een – eenmaal terug in zijn geboortestreek - herkenbaar nog voor oude vrienden bleek. Kwam hier voor hen een einde aan de wereld? - II - Hij had beelden op zn netvlies van Paestum, Pompeï, Winkelman. Ik zag slechts schimmige figuren. Verdacht, al eens beschreven door een Letse kapitein, van wie ooit elf matrozen in hun sloep om zeep waren gebracht. Wie zagen zij? Daar afgedreven zeelui, die ‘r dochters van vermeende weduwen beweenden? Door inteelt afgesleten volk, verwekt uit wat kwam bovendrijven? Wij gingen naderbij met doorgeladen karabijn. Tot zover had de Here ons geholpen; nu kon alleen nog empirie een goede leidraad zijn. - III - Vergeelde kaarten voor in de kajuit toonden ons kust- gebied, getekend in zijn beste jaren. Nu niet veel meer nog dan een enge strook met elf duinen. Er woonden dertig, ongeveer, in clans verschanst op terpen. Elk onder eigen leiding. Wat restte van ‘n arme stad met vestingwerk lag mijlen hiervandaan verwijderd, in het ruime sop. Dat kozen we; naar Wezenstraat, dichter naar de Nieuwe Kerk. Krijsende sterns trokken de aandacht; iets van n vers dreef op ‘t water: Sein Wort ist wahr, denn all mein Haar Er selber hat gezählet. Vredig doorkliefden we een olievlek. © Martin van Kralingen, maart 2006 ![]() PLAATS VAN VERTREK(ode aan t Nieuwediep en zijn passanten)Rimbaud ging uit Europa met een boot naar Indië. Hij lag daar dagen droog, de saaie boot, vast aan een ketting langs ‘t Nieuwediep, nog aan een dikke paal. Rimbaud die rookte er wat zware shag. Daar op die kade liep ooit ene Haverschmidt bij paaltjes, waar ie elke dag ‘n hond uit liet. Die zwaaide met zn staart. Lichtte beleefd zn hoed op, Haverschmidt, voor een vooraanstaand lid van zn gemeente, op een woonark bij de haven. Rimbaud kwam aan in Indië en zocht en vond een boot vol suikerriet. Kwam jaren later pas echt aan, in Afrika en ging daar in pistolen die gebruikt werden om mensen dood te schieten. Ooit dichter zelf, Rimbaud, door een collega met pistool beschoten. Ook Haverschmidt verliet ‘t Nieuwediep. Niet verder kwam ie dan een haven waar ie vele jaren nog, voor een gemeente vol jenever – doorgaans duizend en meer leden - op zijn grijnzende kop stond. Zijn hoed nog rechtop, toen men ‘m Later aantrof met zn voeten naar beneden. © Martin van Kralingen, april 2006 Meer informatie over Arthur Rimbaud Meer informatie over François Haverschmidt ![]() IN HART EN LONGEN GROENOns stadshart in mijn dromenaan een park verpand. Onder de dijk leven daar bomen van de wind. Er ampel opgezet langs Koninklijke grond; rond de ruïnes van elk luchtkasteel groeiden ze uit tot een heel chique ‘Waeiboomer Hout. Een bosperceel waar stormvogels en Jan van Genten broeden. Op wat veel weg heeft van een half ei van goud, beland tussen veel lege doppen. Geen kip valt hier nog te bekennen, wanneer je wakker wordt in bed van zeeasters en –anemonen. Hier kan je heus met een gerust hart slapen, bevind je je weer thuis. Tikt daar ‘t oude klokje? Hoef je niks op te winden. Er is geen nieuws… Nou ja, vredig hoor je de poezen spinnen, als je het dagblad open slaat. Ze voelen dat je niet hoeft te bezinnen op wat er dagelijks in kattenbakken gaat. © Martin van Kralingen, 2006 ![]() LINKS* Het Poëziedagblad van Nederland, Rottend Staal Online* Zijn bio-pagina op Rottend Staal Online *Het grootste poëzie e-zine van Nederland *Opspraak *Collectief Dichter bij de Politiek *Een startpagina met diverse links op het gebied van poëzie *Het Poëziecentrum binnen het Nederlandse taalgebied *Web-log Martin van Kralingen *www.stadsdichterpodcast.be |
|
![]() Foto gemaakt door Albert Vermeulen |
|